Evaluatie bouwproces van Het Nieuwe Stedelijk Museum

De bijdrage van raadslid Roderic Evans-Knaup tijdens het raadsdebat van 11 juli 2012 over de evaluatie bouwproces van Het Nieuwe Stedelijk Museum

“Voorzitter,

Graag wil ik beginnen met het bedanken van de wethouder voor haar aangepaste brief en de voordracht.

Wij zijn blij dat er nu een onderzoek komt en ook dat de wethouder goed heeft gekeken naar de startdatum van het onderzoek. Dat we niet gaan wachten tot het faillissement van Midreth is afgerond, maar dat we gewoon in het najaar gaan beginnen.

Er zijn twee zaken, die wij graag nog gewijzigd zouden willen zien. In de eerste plaats een aanvulling op de onderzoeksopdracht en ten tweede het verschuiven van het opdrachtgeversschap van college naar de raad. Daar waar het thuis hoort.

Roderic Evans-Knaup tijdens het debat over het Stedelijk Museum

Een goed verhaal is een verhaal met meerdere lagen. Wat dat aangaat zou het bouwproces van het Nieuwe Stedelijk Museum een goed verhaal moeten opleveren.

Een verhaal van grote overschrijdingen, zowel in tijd als in budget.
Een verhaal van tegenslag. Een verhaal van teleurstelling.
Maar bovenal een verhaal van onmacht.

De onmacht van de raad, die niet leek te kunnen ingrijpen, terwijl de bouwwerkzaamheden langzaamaan vier jaar vertraging opliepen.
De onmacht van de raad, die niet leek te kunnen ingrijpen, terwijl de kosten van € 80 miljoen euro opliepen tot € 127 miljoen euro.

De onmacht van de raad en het college, want niemand lijkt verantwoordelijk te zijn voor de immense overschrijdingen. Niet de raad, niet het college, geen ambtenaren, geen aannemers. Niemand veroorzaakte de tegenspoed met opzet of bewust, er zijn geen stiekeme besluiten genomen, die afweken van de gemaakte afspraken.

Heel geleidelijk, stapje voor stapje, zijn besluiten genomen en afspraken gemaakt en zijn wij allemaal akkoord gegaan met de gang van zaken die geleid hebben tot dat waarmee we ons nu geconfronteerd zien. Het is de onmacht die zich al eerder heeft doen voelen.

De Stopera.
Het Afvalenergie Bedrijf.
De Noord-Zuidlijn.

Grote overschrijdingen, in tijd en in geld. Keer op keer, elke zoveel jaar weer.
We doen iets verkeerd met zijn allen en de vraag is telkens: wat?
Wijze lessen en aanbevelingen voor de toekomst zijn eerder getrokken, door Herweijer en Ringeling en Limmen. Aanbevelingen die pas bruikbaar worden wanneer zij worden nagevolgd. Lessen die pas van waarde worden als we er iets van leren.

De 7 concrete en zeer bruikbare aanbevelingen van de Stopera commissie-Herweijer waren lang en breed bekend en beschikbaar op het moment dat besloten werd tot de verbouwing van het Stedelijk Museum. De vraag is nu: zijn deze aanbevelingen toegepast? Zo nee, waarom niet? En wat zijn hiervan de consequenties?
Daarom graag de toezegging, dat deze expliciet worden onderzocht.

En de vraag die daaruit logisch volgt is: wie moet dat onderzoeken?

Op gevoel en intuïtie heeft Red Amsterdam steeds gezegd: de raad.

Want een onderzoek naar het waarom van de tijd- en budgetoverschrijding van het bouwproces omvat een evaluatie van de politieke besluitvorming. Deze evaluatie kan niet anders dan door of in opdracht van de raad plaatsvinden.

Besluiten als deze laten we echter niet afhangen van de onderbuik of de intuïtie. En wie kan ons hierin dan beter informeren dan Douwe Jan Elzinga, hoogleraar staatsrecht en voorzitter van de voormalige staatscommissie voor Dualisme en Lokale Democratie.
Op basis van het advies van deze commissie is immers de Wet dualisering gemeentebestuur tot stand gekomen.

wethouder Gehrels

wethouder Carolien Gehrels antwoord de raad over de het onderzoek naar het Stedelijk Museum

 

Inmiddels heeft u allen kennis kunnen nemen van zijn standpunt in deze kwestie, namelijk “Wijze bestuurders kiezen voor een raadsonderzoek”.
Het belangrijkste argument hiervoor is de afwezigheid van een algehele politieke heterogeniteit op het niveau van het college. Zittende colleges hebben immers altijd een impliciet belang bij de uitkomsten van een onderzoek zoals dat nu wordt voorgesteld, aangezien zittende colleges in volle omvang politiek verantwoordelijk zijn.

Ook voor het beleid van voorgangers.

Ook voor het handelen en nalaten van de ambtelijke dienst, zowel in heden als verleden.

De politieke verantwoordelijkheid voor het zittende college schept een politiek belang van dat college bij de uitkomsten van het onderzoek. En alleen al voor de beeldvorming zeggen wij daarom: maak er een raadsonderzoek van.
Ook Elzinga ziet overigens een probleem in de beeldvorming, namelijk in de onvermijdelijke zweem van zelfs maar de schijn van belangenverstrengeling.
Politiek verantwoordelijken, zoals het college, die de opdracht geven om hun eigen verantwoordelijkheid te onderzoeken stellen daarbij eisen aan zichzelf die men niet zou moeten willen stellen.

Ten slotte vragen wij ons ten zeerste af wat een inhoudelijk argument tegen een raadsonderzoek is. Het eerder gehoorde argument dat het “niet nodig” is om een raadsonderzoek in te stellen, snijdt geen hout en is wat ons betreft ook geen argument. Want als er iets niet nodig is, dan is het om er een onderzoek in opdracht van het college van te maken. De raad controleert het college, niet het college zelf.

Om die taak nog beter uit te kunnen voeren, beschikt de raad sinds de invoering van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002, over het instrument van het raadsonderzoek, een instrument dat ingezet kan worden bij zwaarwegende onderwerpen, die betrekking hebben op een onderdeel of aspect van het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur.

Laten we bovendien niet doen alsof raadsonderzoeken zo uitzonderlijk of ingrijpend zijn. Sinds 2002 zijn er door of in opdracht van de raad verschillende onderzoeken uitgevoerd, onder andere naar de Combinotram, de Amsterdamse luchtkwaliteit, de financiering van Theater Carré. Onderzoeken in opdracht van het college liggen minder voor de hand.
Wethouder Gehrels heeft in de commissie KSZ verwezen naar het onderzoek van de commissie Ringeling naar de Afvalenergiecentrale als typisch voorbeeld van een college-onderzoek, een college-onderzoek dat model zou kunnen staan voor een college-onderzoek naar de bouw van het Nieuwe Stedelijk Museum.

Een bijzonder geval, omdat juist dit onderzoek lange tijd bedoeld was als raadsonderzoek. En typisch is vooral het de aanloop naar het begin van dit onderzoek.

In oktober 2006 kondigde wethouder Gehrels aan dat zijn een onderzoek wilde laten uitvoeren naar de bouw van de Afvalverwerkingsinstallatie, die vertraging was opgelopen en 90 miljoen euro duurder werd. In een brief van 15 november 2006 aan de commissie KSB vroeg zij de raad – EN IK CITEER:
“een onafhankelijk onderzoek in te stellen dat antwoord moet geven op de vraag hoe het zover heeft kunnen komen”. In de notulen van de hierop volgende commissievergadering wordt raadslid De Wolf van de PvdA als volgt aangehaald – EN IK CITEER: “In wezen staat er dat de Raad wordt gevraagd een onafhankelijk onderzoek in te stellen. De spreker vraagt zich af of dat zo is, en als dat zo is, dan is hij het daar volledig mee eens.”
Een maand later, op 15 december, wordt tijdens een extra ingelaste commissievergadering de voordracht van het college besproken. Ook hierin staat – EN IK CITEER: “de commissie wordt gevraagd de Gemeenteraad te adviseren […] een onafhankelijk onderzoek in te stellen dat antwoord moet geven op de vragen die in de bij deze raadsvoordracht meegezonden onderzoeksopdracht zijn geformuleerd.”

Uit de notulen van deze commissievergadering citeer ik uit een gesprek tussen de heer Capel en de heer De Goede: “De heer Capel begrijpt dat de heer De Goede pleit voor een raadsonderzoek naar de centrale om te kijken of de raad daarin goed gefunctioneerd heeft. De heer De Goede bevestigt dat.”
Wanneer met de stukken voor de raadsvergadering van 20 december de voordracht van het college verschijnt, staat ook hier – EN IK CITEER NOGMAALS: “De gemeenteraad van Amsterdam besluit, gezien de voordracht van Burgemeester en Wethouders […] een onafhankelijk onderzoek in te stellen […].”

En dan gebeurt er iets bijzonders; Op de ochtend van de raadsvergadering van woensdag 20 december staat op de 2e supplementsagenda een verbeterblad van de voordracht.
En op het allerlaatste moment is het niet meer “de raad die besluit tot het instellen van een onderzoek”, maar “de raad besluit kennis te nemen van het besluit van het College om een onafhankelijk extern onderzoek in te stellen.”

Voorzitter, onze conclusie is dat het onderzoek naar de Afvalenergiecentrale geen gewoon college-onderzoek was. Nee, het zou altijd een onafhankelijk extern onderzoek in opdracht van de raad zijn geweest, nota bene op verzoek van wethouder Gehrels en precies zoals wij dat nu willen. Pas op het allerlaatste moment is hierin verandering gekomen. De reden hiervoor kunnen wij niet meer terug halen.
Toch was de intentie van het college juist. Namelijk een onderzoek door externe deskundigen, in opdracht van de raad. Daar waar het opdrachtgeverschap thuis hoort.

Laten wij nu hetzelfde doen. Laten wij nu als raad de opdracht geven aan een externe onderzoekscommissie om te zien wat er fout is gegaan bij de bouw van het Stedelijk Museum en om het bouwproces toetsen aan de aanbevelingen van de commissie-Herweijer.

Voorzitter, burgemeester, wethouders, dames en heren leden van de raad.
In 1988, in 2007 en in 2009 trokken wij lessen voor de toekomst.

De toekomst is nu.

Laten we eens kijken of we iets geleerd hebben.”

Interruptie Roderic Evans-Knaup op wethouder Gehrels met op de achtergrond Jan Paternotte D66